Of hoe een kuil vol plastic bolletjes de menselijke conditie samenvat

Er bestaat geen betere metafoor voor de menselijke beschaving dan de ballenbak. Neem een willekeurige peuter, gooi hem in een bad van felgekleurde plastic bollen, en observeer. Binnen vijf minuten zal het kind schreeuwen, een ander kind met een bal op het hoofd slaan, en vervolgens hysterisch lachen om een denkbeeldige grap die alleen hij begrijpt. Dit is, in essentie, de geschiedenis van de mensheid.

De ballenbak is een uitvinding die alleen kon ontstaan in een samenleving die al zoveel comfortabel luxe had bereikt dat men actief op zoek ging naar manieren om het leven minder comfortabel te maken. “Laten we,” moet iemand hebben bedacht, “een kuil graven, deze vullen met honderden gladde objecten waarop niemand fatsoenlijk kan staan, en daar dan kinderen in loslaten.” Het geniale van dit concept is dat het zowel volstrekt nutteloos is als onweerstaanbaar aantrekkelijk. Net als democratie.

Wat de ballenbak uniek maakt, is haar volkomen eerlijkheid. In een speeltuin met schommels en glijbanen doet men nog enigszins alsof er een educatief of fysiek doel wordt gediend. “Het ontwikkelt de motoriek,” fluisteren ouders elkaar toe terwijl hun kroost zichzelf met toenemende wanhoop tegen een klimrek aan smijt. Maar de ballenbak liegt niet. Ze zegt: “Hier ben je. Er zijn ballen. Doe ermee wat je wilt. We weten allebei dat dit nergens toe leidt.” Het is een oase van zinloosheid in een wereld die obsessief op zoek is naar betekenis.

En dan de ballen zelf. Waarom zijn ze altijd die onnatuurlijke tinten roze, geel en blauw? Omdat de natuur, in haar oneindige wijsheid, nooit iets dergelijks zou produceren. Deze kleuren bestaan alleen om aan te geven: “Dit is geen serieuze omgeving. Hier gelden andere wetten.” Net als in de politiek.

Het meest fascinerende is nog wel hoe de ballenbak een microkosmos is van sociale interactie. Gooi twee kinderen in de bak en binnen de kortste keren ontstaat er een complexe hiërarchie. Er is het kind dat alle ballen naar zich toe trekt en ze vervolgens niet gebruikt. Er is het kind dat passief toekijkt en af en toe een bal krijgt toegeschoven uit medelijden. En er is het kind dat plotseling begint te huilen omdat het per ongeluk op een blauwe bal is gaan zitten in plaats van een rode, een trauma waar het de rest van zijn leven aan zal denken tijdens therapiesessies.

Ook de volwassenen rond de ballenbak vormen een studie op zich. Let op de ouders die geobsedeerd hun telefoons checken terwijl hun kind langzaam onder de ballen verdwijnt. Zie de grootvader die stiekem een bal pakt en hem in zijn zak stopt, om redenen die niemand durft te vragen. En natuurlijk de medewerker van het speelparadijs, wiens leven zo hopeloos is dat hij daadwerkelijk wordt betaald om ballen terug in de bak te gooien.

De ballenbak is, kortom, een perfecte weergave van het menselijk bestaan: chaotisch, kleurrijk, enigszins pijnlijk, en uiteindelijk volstrekt onnodig. Maar toch kunnen we er niet vanaf blijven. Misschien omdat we, diep van binnen, allemaal een beetje in die plastic kuil willen blijven springen, schreeuwen, en vergeten dat er ooit iets anders was.

En als dat geen diepe levensles is, wat dan wel?

De ballenbak heeft haar eigen meteorologie. Die plastic geur waait door de kuil en kleeft aan kleren zoals de geur van een casino aan een gokverslaafde.

De ballen zelf hebben een geheugen. Niet van wie erop heeft gezeten - hoewel er altijd dat ene kind is dat beweert een bal te herkennen aan een krasje dat alleen het ziet - maar van alle keren dat ze zijn opgepakt, weggegooid, verstopt onder een bankje waar ze maanden later worden teruggevonden, bedekt met een laagje stof dat op geplette Cheerios lijkt. Ze dragen de sporen van tandjes die erin hebben gehapt, van schoenzolen die eroverheen zijn geschuurd, van peuterhandjes die ze in een driftbui tegen de muur hebben gesmeten.

Er is een moment, altijd rond het derde kwartier van een ballenbakbezoek, waarop de chaos haar hoogtepunt bereikt. De kinderen zijn moe maar weigeren het toe te geven, hun bewegingen worden trager maar wilder, alsof ze dronken zijn van de kleuren. Een jongetje gooit een handvol ballen in het rond zonder te kijken waar ze landen. Een meisje probeert zichzelf te begraven, maar geeft halverwege op en blijft met alleen haar hoofd boven de ballen uitsteken, als een soort plastic bolletjes-sfinx. De ouders aan de rand van de bak hebben hun telefoons nu echt weggelegd, niet uit betrokkenheid maar uit pure uitputting. Ze staren naar hun kroost alsof ze naar een televisiescherm kijken waarvan ze de afstandsbediening zijn kwijtgeraakt.

Dan is er de geluidskwaliteit van de ballenbak. Die is uniek, een soort demping die alleen voorkomt in ruimtes vol kleine, holle objecten. Schreeuwen klinken hier alsof ze door een dikke deken van vergeten nieuwjaarsvoornemens zijn gefilterd. Het geritsel van de ballen onder bewegende lichaampjes klinkt als een verre regenbui op een plastic dak. En altijd, altijd is er dat ene kind dat ontdekt hoe zijn kreet echoët als het zijn hoofd onder de ballen steekt, en dat dit vervolgens twintig minuten onafgebroken blijft doen tot iemand anders begint te huilen van pure irritatie.

De ballenbak kent ook haar stiltes. Die vreemde pauzes waarin alle kinderen tegelijkertijd lijken te beseffen dat ze iets doen wat eigenlijk nergens op slaat, en voor een seconde bevriezen, met ballen in hun handen die ze niet meer weten te plaatsen. Alsof ze, net als de volwassenen om hen heen, even de absurditeit van het hele systeem inzien. Maar het duurt nooit lang. Er is altijd wel een bal die per ongeluk tegen een ander kind aan rolt, en de cyclus begint opnieuw.

De grootvader met de gestolen bal in zijn zak is nu aan een tweede toe. Hij doet het stiekem, met de blik van een man die een bank berooft in een film waar niemand naar kijkt. Waarom? Misschien is het een protest tegen de vergankelijkheid. Of misschien wil hij gewoon iets tastbaars meenemen uit een wereld die steeds minder tastbaar wordt. De bal in zijn jaszak maakt een zacht, hol geluid als hij tegen zijn sleutels aanstoot.

De medewerker van het speelparadijs heeft inmiddels een systeem ontwikkeld. Hij gooit niet zomaar willekeurig ballen terug de bak in, maar probeert ze in een soort patroon te plaatsen, een geometrie die alleen hij begrijpt. Elke keer als een kind zijn werk vernietigt, zucht hij zo diep dat je bijna zou denken dat hij een echte baan heeft. Hij is de Sisyphus van de speelhal, veroordeeld tot een eeuwigheid van het terugplaatsen van dingen die nooit op hun plaats zullen blijven.

En dan, net wanneer het lijkt alsof dit tafereel eeuwig kan doorgaan, valt het eerste kind. Niet een dramatische val, niet iets waarvoor een EHBO-doos nodig is, maar zo’n kleine struikeling waarbij het gezicht recht in de ballen duikt. Even is het stil. Het kind ademt in, bereidt zich voor op een huilbui die nooit komt. In plaats daarvan begint het te lachen. Een soort giechelend, snuivend geluid dat besmettelijk blijkt. Binnen de minuut proberen alle andere kinderen hetzelfde: hoofd onder de ballen, omhoog, en in lachen uitbarsten.

Het is een kortstondige revolutie. Binnen vijf minuten is de normale chaos hersteld. Maar in die tussenliggende momenten, waarin de hele ballenbak schudde van het gelach, leek er even iets anders mogelijk. Alsof de ballen niet alleen maar nutteloze objecten waren, maar de bouwstenen van iets wat bijna, bijna vreugde kon heten.

De grootvader laat de derde bal vallen. Hij rolt onder een bankje, waar hij pas over een maand zal worden teruggevonden door een schoonmaker die hem opraapt, even in zijn handen weegt, en hem dan, zonder na te denken, terug de bak in gooit. De cirkel is rond. De ballenbak wacht. Morgen zullen er nieuwe kinderen komen, nieuwe ouders die doen alsof ze opletten, nieuwe grootvaders die stelen wat nooit van iemand was.

In de ballenbak vinden we onszelf terug: een soortgelijke chaos, eenzelfde kortstondige vreugde, en hetzelfde onvermogen om er vanaf te blijven.